| |
Geschiedenis Berner Sennenhond
In de late middeleeuwen begonnen boeren de beboste hoogvlakten in de Zwitserse Alpen te ontginnen om zo weidegrond voor hun vee te krijgen.
Het hoeden van de kudde werd gedaan door een 'Küher' of 'Senner', die tegen een vergoeding het vee verzorgde en de kaas, boter en melk bij de alpenbezitter moest afleveren. In de winterperiode verbleef de kudde in het dal, in de stallen van de (veelal verschillende) eigenaren.
Een kudde bestond dikwijls uit zo'n 100 melkkoeien, en daarbij kwamen dan nog ettelijke geiten en varkens. De wegen waren slecht en liepen dikwijls door rivieren en beken. Zonder hun honden, die 'Sennenhonden' werden genoemd, kon zo'n omvangrijke kudde onmogelijk bij elkaar gehouden worden.
Een duidelijke scheiding tussen de 'honden van de Senner' en de 'boerenhonden' was er uiteraard niet. Zeven maanden lang leefde de Senner in het dal en vijf maanden lang verbleef hij op de bergweide. Een vermenging van de honden was onvermijdelijk. Aangezien de boerenhonden en de veedrijvers vele eeuwen lang met elkaar werden vermengd, en waarschijnlijk ook uit dezelfde nesten voortkwamen,verbaast het ons niet dat veel Berner Sennenhonden, naast hun eigenschappen tot bewaking en bescherming, ook nog sterke eigenschappen als veedrijver bezitten.
Pas vanaf het begin van de twintigste eeuw werd de Berner Sennenhond raszuiver gefokt uit boerenhonden uit het kanton Bern. Het vermoeden bestaat dat deze boerenhonden door de geïsoleerde ligging van hun woonplaats eeuwenlang onberoerd zijn gebleven en in zekere zin dus als een oud 'ras' zijn te bestempelen. Niemand weet echter hoe oud.
Veel boeren in het kanton Bern waren bemiddeld genoeg voor zo'n grote hond. Hun hoven waren groot en het oude erfrecht voorkwam dat de grond in kleinere percelen werd opgedeeld. Bovendien waren de belastingen in dat gebied niet al te hoog en bleef het gebied lange tijd vrij van oorlogsgeweld.
Zulke boerenhonden waren vroeger uiteraard echte 'nutdieren', die een bepaalde taak hadden te vervullen. En uiteindelijk werden ze ook geslacht, omdat het hondenvet een prima geneesmiddel was.
Uit diverse verhalen is bekend geworden dat de boeren deze honden bepaalde namen gaven, zoals 'Bärri' wat gewoonlijk de naam was voor honden zonder bles, 'Ringgi' voor de honden met een witte halsring, 'Bläss' werd veel gebruikt voor de honden met een blesstreep op het voorhoofd, 'Gelbbäckler' voor honden met veel geel aan de wangen, 'Vieräugler' voor de honden met geel bruine vlekken boven de ogen en ook 'Dürrbachhund' ofwel 'Dürrbächler' hetgeen betekent hond uit Dürrbach, het plaatsje in Zwitserland waar deze honden oorspronkelijk werden gevonden.
Het type dat model heeft gestaan voor de rasstandaard van 1910, was de 'Dürrbächler', genoemd naar de streek waar de laatste vertegenwoordigers van het ras werden aangetroffen. Daar werden ze rond 1880 nog gehouden op de verspreid liggende boerderijen, gebruikt voor de melkkar, bij het vee en bij elke kaashut.
 |
Als trekhonden van de zwervende Guggisberger mandenvlechters kwamen ze naar de markten o.a. die van Bern. Uit de overlevering is vast te stellen dat het hele kanton Bern het oorspronkelijke verspreidingsgebied is geweest. |
Tegen 1890 was hij in het Emmental en in de Jura vrijwel uitgestorven.
De bron van alle Sennenhonden en de St. Bernard is de grote smeltkroes 'boerenhond' geweest. De omstandigheden en de eisen die het gebruik stelde, hebben een aanzet gegeven tot de variëteiten, de luze-fokkerij heeft er de vijf onderscheiden rassen van gemaakt.
Er is een beschrijving van professor Studer uit ongeveer het jaar 1900: 'In een groot deel van Zwitserland, op de vlakte en in de Alpen wordt een middelgroot, meestal langharig, soms stokharig, krachtig hondenras gehouden met hangoren, als waakhond, als veedrijver of als trekhond. Dat ras is weliswaar op de vlakte en in de nabijheid van steden veelvuldig verbasterd met alle mogelijke reine of onreine elementen . . . . . ., men vindt echter op veel plaatsen nog typische exemplaren, zoals in Appenzell, in het Emmentall, in het 'Mittenland' tot Freiburg. Een soortgelijke hond maar aanmerkelijk ranker en meer herdershondachtig, bevindt zich in de Alpen van Entlebuch, een grotere slankere vorm dan in het Wallis als herdershond.' Elders spreekt dezelfde schrijver over een grote 'Bauernspitz' in het Berner Mittelland en in Seeland, die in alle kleuren, maar voornamelijk in geel en rood(bruin), voorkwam. Van eenheid is dus weinig sprake. Dr. Räber wijst op de sterke verwantschap tussen de St. Bernard en de Grote Zwitserse Sennenhond, als Berner Sennenhond, ja zelfs als Appenzeller Sennenhond.' Het lange haar is van oorsprong beslist niet een raskenmerk: lang en kortharigen kwamen uit hetzelfde nest. Sinds het vaststellen van de rasstandaard in 1910 is het aantal kortharigen afgenomen. Het langhaar os overigens van oorsprong kroeshaar. Sluik golvend was esthetischer volgens Prof. Heim die de rasstandaard heeft ontworpen. Sluik haar heeft het praktische voordeel, dat bij regen het water eraf loopt. Momenteel gaat de voorkeur uit naar een enigszins golvende vacht.
Het eeuwenlange bestaan als veedrijver en boerenhond vormde de Berner Sennenhond tot een respect afdwingende hond. Het gebruiksdoel had gezorgd voor een goed geproportioneerde lichaamsbouw zonder overdrijvingen, een lichaamsvorm die geen sterke afwijkingen van de 'normale' vorm van een hond toelieten.
Karakter Berner Sennenhond
Volgens maatstaven van een boer is een hond goed, wanneer hij waaks en scherp is zonder dat hij bijt.
Als hij mee gaat moet hij aan de voet volgen, bij de wagen tussen de wielen lopen en niet door de akkers gaan.
In geval van nood moet hij de baas verdedigen, hij moet de voorwerpen van de baas die hij achterlaat bewaken,
Hij mag niet stropen, katten en pluimvee moeten met rust worden gelaten en hij mag niet van huis weglopen.
In de bergstreken waardeert men vooral de eigenschappen van het hoeden en drijven van vee, in de dalen daarentegen heeft men meer aan een hond die geschikt is als trekhond.
De meeste Berner sennenhonden voldoen aan al deze punten, zonder dat men het speciaal moet aanleren.
Vooral waakzaam en volgen aan de voet voelen de Berners als hun plicht.
En precies zo was zijn karakter gevormd. De boeren of de Senner waren niet bereid, noch hadden ze de tijd, om zich bezig te houden met een nerveuze hond, of een hond die anderszins karakterafwijkingen vertoonde.
Hoe streng overigens de normen destijds bij de fokkerij waren, vinden we in het 'Zentralblatt für Jagd- und Hundeliebhaber' uit 1913: 'De Senner, boeren en veehandelaren fokten uitsluitend met kerngezond materiaal; wat niet de hele dag onder alle weersomstandigheden kon werken, lopen, rennen, drijven, blaffen en 's nachts ook nog monter en waaks kon zijn, werd tot hondenvet, gecastreerd of doodgeslagen.'
Nu nog vinden we in het karakter van de Berner Sennenhond waardevolle eigenschappen terug. Zo vormt hij, zonder daarbij terughoudend te zijn, een nauwe band met zijn 'mensen' en zijn woonomgeving. Met vriendelijke opmerkzaamheid volgt hij alles wat er om hem heen gebeurt. Hij maakt daarbij op treffende wijze onderscheid tussen de bekende personen, en alle dagelijkse min of meer 'gewone' voorvallen in zijn omgeving, en alles wat 'vreemd' is. Alle ongewone dingen en onbekende personen weet hij op betrouwbare wijze te melden en als het nodig mocht zijn, zal hij ook bereid zijn mensen en hun bezit verdedigen. Gewillig en opgewekt, maar met toch een zekere mate van zelfstandigheid, zal hij de hem opgedragen plichten uitvoeren. Daarbij verbergt zich achter zijn robuuste uiterlijk een gevoelig en zachtmoedig karakter. De Berner Sennenhond behoeft een Conseqente doch zachtmoedige opvoeding.

|
|
Geschiedenis Rottweiler.
Voor de Rottweiler ligt de oorsprong vrijwel zeker in Tibet, dat geldt eigenlijk voor alle dogachtige honden die nakomelingen zijn geworden van de Tibetdog of Tibetaanse Mastiff. Men neemt aan dat dit ook voor de Zwitterse Sennenhonden geldt. Tibet, “het dak van de wereld”, zoals velen dit ruige en hooggelegen gebied noemen. Volgens sommige theorieën zou de wereld vanaf dit dak bevolkt zijn, en misschien is dit ook wel zo, Maar zeker is dat al ruim een eeuw voor Christus grote dogachtige honden voorkwamen. Over met name Ngao, een prachtige fiere hond wordt beweerd dat hij ruim 1,30 meter hoog was, vermoedelijk gemeten tot de bovenkant van het hoofd. Bij honden wordt altijd de schofthoogte aangegeven, dat wil zeggen, de afstand van de grond tot de schoudertoppen van de hond.
Stammend uit een tijd van ver voor onze jaartelling zijn talloze goed gelijkende afbeeldingen van dogachtige honden gevonden. Uit die afbeeldingen en enkele beschrijvingen kunnen we afleiden dat er toen reeds twee soorten van die dogachtigen voortkwamen, namelijk een zwaar en een licht soort. De lichte honden werden gebruikt voor het hoeden van het vee, de zwaardere als beschermer en bewaker van de kudden. Hieruit is het verschil in uiterlijk tussen deze beide Molossers, zoals ze genoemd werden, duidelijk verklaard. Uit de oude geschriften kunnen we opmaken dat men reeds in die tijd waarschuwde om vooral juist te fokken. Men moest er op toezien, dat de zware Molossers, die het gekweekte type waren, zuiver gehouden werden, zodat het niet terug zou keren tot de oervorm, het lichte type Molosser.
De Tibetdog wordt ongeveer 500 jaar voor Christus voor het eerst in Europa gebracht, toen Xerxes op één van zijn veldtochten een behoorlijk aantal van deze honden als gevechtshonden met zich meevoerde. Enkele honderden jaren later bracht Alexander de Grote een groot aantal van deze vechthonden over naar Griekenland. Daarmee werd de basis gelegd voor de opkomst van de Molossers, zoals deze zware Doggen sinds die tijd genoemd werden. Met de val van het oude Griekenland kwamen deze honden in het Romeinse Rijk terecht. De Romeinen gebruikten hem vooral in de arena’s om te vechten tegen alles wat voldoende weerbaar was. De naam en faam van de Molosser raakte spoedig verspreid door het omvangrijke Romeinse Rijk. Zo’n vijftig jaar na het begin van onze jaartelling schreef Colummella, zie in de tijd het bekendst was als schrijver op het gebied van planten en dieren rond huis en hof, het volgende: “Als men een hond aan wil schaffen, kan men kiezen uit drie soorten die hier voorkomen. Voor de bewaking van huis en hof kieze men een grote, zware hond, het liefst donker van kleur, opdat eventuele boosdoeners al bij de eerste blik de moed in de schoenen zinkt. En voor een dief in het holst van de nacht, zal de donkere hond in de schaduwen nauwelijks zichtbaar zijn, zodat hij volkomen onverwachts de aanval in kan zetten. De herders moeten voor het werk bij de kudde een licht en beweeglijke hond hebben en voor de bescherming van de kudde, grote, witte honden, zodat ze niet met wolven verward kunnen worden.” In het eerst genoemde type herkennen we de bewaker van hof en huis, die later uit zou groeien tot een grote, zware en donkere hond, de Rottweiler.
De Molossers zijn in twee stadia naar Europa gevoerd om verder verspreid te raken. In de tweede helft van de eerste eeuw na Christus brachten de Romeinse kolonisten eveneens zware Molossers van het Romeinse schiereiland mee naar de rest van Europa. De Dogachtigen raakten over heel Europa verspreid en met name in Helvetia, het tegenwoordige Zwitserland, kwamen vele dogachtige honden voor. De nieuw ingevoerde doggen vermengden zich na korte tijd met de inheemse rassen. Zwitserland heeft daaraan zijn verschillende Sennenhonden te danken, die later door professor Albert Heim zijn onderverdeeld in de vier rassen, die we heden ten dage nog kennen.Toen Romeinse soldaten het gebied binnentrokken dat nu Zwitserland heet, hadden zij grote waak- en oorlogshonden bij zich. In het nieuwe land paarden deze honden met plaatselijke herdershonden en uiteindelijk ontstonden daaruit vier aparte Zwitserse Sennenhonden : de Appenzeller, de Entlebucher, de Grote Zwitserse en de Berner Sennenhond. De Berner Sennenhond uit het kanton Bern heeft een lange vacht en werd de populairste. Ze werkten als boerderijhond ( zie de naam 'sennen' : betekent boerderij of sennenhut ) en trokken karren voor kaasmakers en wevers. In de 19de eeuw was het ras bijna verdwenen, maar het werd in ere hersteld onder supervisie van professor Albert Heim. Tegenwoordig zijn Berner Sennenhonden populaire gezelschapshonden. De Sint Bernard, de Rottweiler en de New Foundlander zijn verwant aan de Berner Sennenhond
Men behoeft geen deskundige te zijn, om de verwantschap tussen de Rottweiler en de Grote Zwitserse Sennenhond te zien. Als men van de Berner Sennenhond de lange haren verkort, blijft er eveneens een soort driekleurige Rottweiler over. De Appenzeller en Entlebucher Sennenhond zijn heel duidelijk honden die afkomstig zijn van het lichtere type.
De Rottweiler ontstond meer westelijk, namelijk in het gebied rond het stadje Rottweil, waar zijn naam van afkomstig is. In de dertiende eeuw werd Rottweil een vrije Rijksstad en dit privilege verloor de stad pas in de achttiende eeuw. Gedurende al die eeuwen hield het privilege het voorrecht van vrije handel in. Dat betekende niet alleen handel in goederen, maar ook de veehandel bloeide weelderig. De veehandelaren hadden al spoedig ontdekt dat de in dat gebied voorkomende honden goed geschikt waren om het weerspannige vee op te drijven. Ging een veehandelaar ’s nachts weer terug met een behoorlijke som geld bij zich, dan was die hond een uitstekende beschermer. Er werd ook toen al met trots over het prima karakter en de enorme trouw van deze honden gesproken. De honden raakten spoedig meer en meer verspreid en als en vroeg waar die hond vandaan kwam, kreeg men prompt het antwoord: “Dat is een Rottweiler” en op deze wijze werd de naam Rottweiler al snel een begrip.
De Rottweiler behoort tot één van de oudere rassen die we kennen. Toch is hij door de georganiseerde kynologie pas zo’n honderd jaar geleden ontdekt. In het jaar 1907 werd de Deutsche Rottweiler Klub opgericht en spoedig daarna nog twee verenigingen die eveneens de belangen van de Rottweiler wilden dienen. Dit gaf aanleiding tot veel geharrewar en ellenlange discussies, maar in 1921 werd dan toch de Algemeine Deutsche Rottweiler Klub opgericht. Tevens werden de raspunten opgesteld. In Nederland duurde het nog tot 1952 alvorens de Nederlandse Rottweiler Club werd opgericht en de Belgische Rottweiler Klub ontstond pas twintig jaar na de Nederlandse rasvereniging.
Karakter Rottweiler
Rottweilers zijn van nature erg waaks en beschermend. Gaat u eens een dagje van huis, dan kunt u de bewaking van uw spullen gerust aan uw hond overlaten. Wanneer er niemand in de buurt is die hem verteld dat het bezoek geen kwaad in de zin heeft, zal de Rottweiler niemand binnen laten komen. In deze situaties laat een Rottweiler zich nog intimideren, noch omkopen. Hij kent in dat opzicht geen angst en is vrijwel ongevoelig voor pijn. Het waakse karakter ontwikkelt zich vanzelf wanneer de hond volwassen wordt, dat hoeft u beslist niet te stimuleren. Ook al springt hij vrolijk tegen iedereen op en gaat hij bij bezoek op schoot zitten; is de nood aan de man, dat staat hij er, aan de kant van hen die hem zo dierbaar zijn, zelfverzekerd en op alles voor bereid. Rottweilers zijn overwegend rustig, stabiel en zelfverzekerd. De bijtdrempel is vrij hoog. In een bedreigende situatie zijn ze eerder geneigd om veel met machtsvertoon de indringer af te weren dan dat ze daadwerkelijk hun krachtige kaken zullen gebruiken. Nu is hun gedrag in dergelijk situaties zo overtuigend, dat een confrontatie zelden nodig zal zijn. Het typische, donkere basgeluid laten ze overigens niet vaak horen, een reden te meer om met name ‘s avonds en ’s nachts altijd poolshoogte te gaan nemen als uw hond blaft. Niet alleen uw huis en bezittingen zijn bij de Rottweiler in goede handen. Rottweilers voelen zich meer dan verantwoordelijk voor het wel en wee van de gezinsleden en speciaal voor de kinderen. Dat is een mooie karaktertrek, maar het houdt ook in dat u de kinderen nooit zonder toezicht met andere kinderen mag laten spelen waar de hond bij is. Wanneer deze namelijk het idee krijgen dat 'zijn' kinderen bedreigd worden, zal hij voor hen in de bres springen, en dat moet u altijd zien te voorkomen. Vergeet niet dat Rottweilers jarenlang zijn geselecteerd op het beschermen van hun eigenaar en als ze door hun baas eerlijk behandeld worden, zijn ze daar bijzonder goed in.
|
|